Heel lang geleden, toen de zon nog jong was en nog over de aarde wandelde om veel te leren en wijzer te worden, was er een land dat nog bijna helemaal braak lag.
Waar je ook keek, niets dan ongerept land zag je. Hier en daar een boompje, een watertje met vogels, maar géén huizen. 
Bij dat land kwam de zon op zekere dag aangelopen.
Zij keek en keek en keek over dat wijde, wijde land, vol onbegrensde mogelijkheden en liep het land binnen.
Toen zij een tijd gelopen had, het kan kort en het kan lang geduurd hebben, kwam zij bij een eenzaam hutje waar een paar mensen hard aan het werk waren. Ze konden de hulp van Zon goed gebruiken en heetten haar hartelijk welkom.
Ze zouden in ieder geval goed voor haar zorgen.
Iedere dag werd er hard gewerkt, maar er was ook lekker te eten en genoeg te drinken. Er was zelfs tijd om feest te vieren en na te denken.
En er werd gewerkt én gewerkt én gewerkt, maar er werd ook steeds weer plezier gemaakt.
Soms was er een conflict en ook verdriet, maar steeds kwam alles weer goed.
Oh, wat kon Zon hier veel leren.
En zij leerde en leerde steeds meer en zij werd steeds handiger en voelde zich er ook al echt thuis.
Langzaamaan werd het land echt bewoond, er kwamen steeds meer huizen.
En er kwamen steeds meer mensen. Soms gingen er weer een paar weg, maar altijd kwamen weer nieuwe mensen helpen en doen. Het leek wel één grote familie.
Het land werd steeds mooier en het leven was goed.